Fuck het Engels

Er wordt al tientallen jaren gemopperd over de toenemende invloed van het verderfelijke, buitenlandse Engels op ons schone en inlandse Nederlands. Met alle morele argumenten tegen die verengelsing zijn wij het roerend eens; de wetenschappelijk-taalkundige argumenten verwerpen wij krachtig.

Want natuurlijk verarmt die Engelse instroom ons Nederlands niet: het is juist een verrijking! Het Engels wordt vaak geroemd om zijn zeer brede woordenschat. Welnu: die is maar zo breed geworden door de opname van alle mogelijke woorden uit alle mogelijke talen. De premoderne Engelsman kon geen woord in een vreemde taal horen, of hij verbasterde het en schreef er een sonnet mee. Zo, alweer een woord toegevoegd aan het steeds verder uitdijende Engelse vocabularium, op naar het volgende!

Die richting moeten we ook uit met ons Nederlands. Zo veel mogelijk vreemde woorden adopteren! Dat je nu bijvoorbeeld niet alleen eenhoorn maar ook unicorn kan zeggen in het Nederlands, en oh mijn god maar ook oh my god, da’s pure verrijking. Het voegt rijke schakeringen toe in de diepte en de breedte en de hoogte, het is een lustige klaterende bron van oneindige mogelijkheden voor dichters, schrijvers en kruiswoordraadselaars, de ware schatbewaarders van de taal.

Enfin, dat denk je dan, op een willekeurige donderdagochtend. Je hebt jezelf daarvan namelijk volledig overtuigd de vorige avond, want op café nam iemand een licht afwijkend standpunt in en dat kon natuurlijk niet getolereerd worden. Het werd een laaiende discussie en de adrenaline is ’s ochtends nog niet helemaal uit je bloedbaan verdwenen. Nog half opgenaaid neem je een krant vast en daar lees je dit:

Jesus fucking christ on a bicycle. Heb je daar gisteren een hele avond voor staan oreren aan de toog? Een decade, lieve luisteraars en luisterarinnen, is in het Nederlands: een periode van tien dagen. Wat Ewoud Ceulemans, schrijver van het stuk onder schabouwelijke titel, bedoelt is: een periode van tien jáár. Een decennium in het Nederlands, maar inderdaad a decade in het Engels.

Voor een periode van tien dagen heeft het Engels geen woord, dat zijn ze helaas vergeten overnemen uit een andere taal, of misschien vonden ze het te verwarrend om décade uit het Frans over te nemen omdat ze decade al hadden, of misschien voelde niemand de inspiratie om een sonnet met decade te schrijven.

Hoe het ook zij, het Nederlands is hier rijker dan het Engels. Zij moeten hier iets overnemen van ons, wij niet van hen. Ewoud Ceulemans heeft er niets van begrepen, en hij verarmt het Nederlands.

En zo belanden wij weer op het terrein van de morele argumenten. Wat het gebruik van Engelse termen over een taal zegt, laten wij dan maar in het midden. Wat het over de taalgebruiker zelf zegt, is moge echter duidelijk zijn: het is onweerlegbaar bewijs van de ontstentenis van liefde voor en kennis van de moedertaal, van een ruggengraatloos karakter, en van een gebrekkige morele ontwikkeling.

LINKS:

Schaamteloos en verachtelijk

Uiteindelijk dan toch enige ophef, de voorbije dagen, over de reeks tekstjes die De Morgen afdrukte over transgenders. Het duurde wel even, want op wat De Morgen in weerwil van alle redelijkheid per se een ‘essay’ van Joël De Ceulaer wou noemen, kwam er eerst nauwelijks reactie.

Er kwam zelfs zo weinig reactie op, dat De Ceulaer zich daar openlijk over bekloeg op X. Was dit geen edgy onderwerp, misschien? En verkondigde hij daarover misschien geen edgy mening!? Dan verdiende zijn superrelevante essay toch wel wat hetze, zeker! Maar zelfs op X, waar het uitlachen, schofferen en bedreigen van transgenders toch een substantieel onderdeel van het businessmodel is, bleef het nogal rustig.

Lees meer »

Alweer een kans gemist

Een algemeen advies voor iedereen die creatief denkt te moeten omspringen met taal: hou het voor jezelf eenvoudig en doe rustig aan met litotes en andere ontkenningen. Zeker als je journalist bent: je bent maar gemiddeld intelligent, en je lezers ook.

In de krant De Morgen laat journalist Hans Vandeweghe zich interviewen door journalist Steven Elias. Zo schijnt journalistiek tegenwoordig te werken. In theorie is dit een goed idee: de ene journalist corrigeert de flaters van de andere en zo verschijnen er betere artikels.

Dat is de theorie. Dit is de praktijk:

Ministers laten zelden een kans onbenut om te zwijgen’, zegt sportjournalist Hans Vandeweghe.

Een zelfingenomen kwast lult zo veel onzin bij mekaar dat hij zelf niet meer weet wat hij zegt, een ambitieus jonkie pent het lustig neer, de eindredactie is onbestaande. Duidelijk De Morgen.

LINKS:

Uitkijkpost voor een senior writer

Beste Joël De Ceulaer

Het moet toch niet gemakkelijk zijn, steeds weer zo’n Uitkijkpost uit uw duim zuigen. Elke week een open brief verzinnen aan de zoveelste oninteressante Bekende Vlaming, wij zouden het niet kunnen. Net daarin toont zich natuurlijk het meesterschap van een senior writer. U kwijt zich trouw van uw taak en verschaft wekelijks rondborstig advies aan een Vlaamse beroemdheid en bij uitbreiding aan heel Vlaanderen.

Vorige week tikte u Griet Op de Beeck ferm op de vingers, omdat zij op de VPRO Zomergasten gaat presenteren en ook nonsens over psychotherapie verkoopt. En passant deelde u enkele klinkende oorvijgen uit aan journalisten die niet kritisch genoeg waren voor haar onwetenschappelijke onzin. Ja, als u aan het schrijven bent – tiktiktik – kijkt u niet op een oorvijg meer of minder. Dat kan best in zo’n open brief, die sporen van spot en satire kan bevatten.

Lees meer »

Een goed sportinterview

Het mooiste randfenomeem van de schaaksport is beslist het interview dat spelers geacht worden te geven na belangrijke wedstrijden. Deze interviews zien we bij andere sporten ook, maar daar zijn ze altijd lullig en overbodig. Niet zo bij schaken!

Dat heeft te maken met de aard van de sport. Neem nu voetbal. Voetbal is een eenvoudige sport. De interviewer vraagt aan een voetballer hoe het komt dat zijn ploeg verloren heeft, maar eigenlijk weet hij dat al. Ook de toeschouwer in de tribune weet het al, en de kijker thuis weet het al, ja eigenlijk weet iederéén het al, behalve niet zelden de voetballer in kwestie.

Want alles is al uitgebreid besproken in de televisiestudio: door vast te houden aan de 4-3-3 kwamen ze bij balbezit een man te kort op het middenveld waardoor de spits niet aangespeeld raakte. Bovendien verzoop de linkerflank, was de rechterflank een drama, speelde de nummer 7 als een nummer 9, en misten ze drie penalties. Dat je zo geen wedstrijd wint, weet iedereen.

Lees meer »

Er zijn wel grenzen, hoor

Wat vindt u van deze zin?

Ik heb altijd gedacht dat non-stop orale zelfbevrediging is wat mensen bindt die de kakresten van tussen het gat schrapen met vers gedrukte geldbriefjes, maar blijkbaar vallen geldkoeien onder te brengen in soorten.

Dit hermetische pareltje, van de hand van Elmo Lê van, opent een televisiekritiek, een genre dat tegenwoordig meer schrijvers dan lezers lijkt te tellen.

Andere juweeltjes uit hetzelfde stuk:

Hij is evenveel mensenmens als ramptoerist, zich situerend op de slappe koord tussen empathisch en respectloos.

Maar hoe vreselijk was de aflevering van vorige week waarin Rob Jarrett, een Britse zakenman en bevriend met een rijke Belg die hoopt dat mensen hem verwarren met Karel Lagerfeld, zichzelf met de piet uit de broek op de borst klopte?

Waarom staan kranten toe dat dit soort zinnen gepubliceerd wordt? Wanneer zal het zeer middelmatige schrijvers eindelijk verboden worden zich te buiten te gaan aan dergelijk wanstaltig gebrabbel? Hoe lang moeten wij lezers nog lijden onder de blinde terreur van ongeïnspireerde kalfskoppen die hun gekunsteld taaltje proberen slijten als vlot en geestig en bovenal creatief?

Of, zoals Elmo Lê van het zelf formuleert in een zeldzame leesbare zin:

Wanneer komt er een vaccin tegen de zelfverheerlijking van blaaskaken?

LINKS:

Dienstmededeling

Broers, neef,

Gezien

  1. De zeer consequent aangehouden en totale radiostilte op deze zender; en
  2. Het smartelijk verscheiden van tante Alice ingevolge complicaties van een infectie der onderste luchtwegen met een pathogeen dat wij verder onvermeld laten,

Durven wij er wel van uitgaan dat er intussen helemaal niemand meer luistert op deze frequentie. Eindelijk. Hopelijk kan dit communicatiekanaal nu dan eindelijk zijn ware waardevolle potentieel ontplooien: communicatie tussen verwante Plasky’s, de nobelste communicatie die men zich kan voorstellen.

Onze président directeur général heeft te kennen gegeven dat hij met zijn redactie een pintje wil gaan drinken. Wáár dat zal gebeuren, weten we allemaal. Wannéér, da’s een open vraag. Gelieve uw beschikbaarheden kenbaar te maken.

Ik ben de eerste twee weken van augustus in het buitenland. Laat van u horen.

Familiaire groeten,

Uw Emile

Natuurlijk niet

Ach, Joël De Ceulaer. Zelf slechts matig getalenteerd als auteur, ervaart hij het maniëristisch geschrijf van Christian De Beucker als stilistisch zeer hoogstaand. Dat is jammer voor hem, (en ook voor De Beucker natuurlijk), maar bon, we kunnen niet allemaal literaire fijnproevers zijn.

Maar het wordt wel echt treurig wanneer de stelling dat De Beucker een groots stilist is, ook nog ambitieuze hypotheses over ’s mans ware identiteit moet schragen, en daar dure eden op worden gezworen.

beucker

De Ceulaer etaleert hier een mate van zelfoverschatting die ons ooit geërgerd zou hebben, maar ons nu slechts amuseert.

Dat neemt niet weg dat hij gelijk heeft wanneer hij elders stelt dat de De Beucker niets met Radio Plasky te maken heeft.

Omdat halfwassen hansworsten blijven denken dat de Beucker met onze zender geassocieerd is, lijsten wij omstandig doch niet exhaustief op waarom dit niet zo is en trouwens onmogelijk is:

  1. De Beucker heeft geen snor.

 

 

Een prekerig schotschrift

Binnenkort zijn het verkiezingen! Dat concluderen wij althans uit de propaganda die sinds kort onze brievenbus overlaadt. Bij verkiezingen, we zeggen het er even bij, kiezen wij als burgers van een democratische rechtsstaat welke weg we willen dat onze maatschappij inslaat.

Dat is toch tamelijk belangrijk en daarom verschijnen wij graag goed geïnformeerd in het stemhokje. Om goed geïnformeerd te zijn moeten wij, dit spreekt voor zich, de integrale pers links laten liggen. Dat kostte ons gelukkig weinig moeite. Wij concentreerden ons meteen op het echte werk: de partijprogramma’s!

Die bleken echter aan de saaie kant en bovendien niet bijster goed geschreven, zodat wij dat al snel hebben opgegeven.

Daarom namen wij Het Belgisch labyrinth van Geert van Istendael ter hand. Dat werk stond nu al een tijdje in onze boekenkast ongelezen te wezen en dit leek ons een gepast moment om ons daar eindelijk eens door te werken.

Dit bleek een misvatting. Er bestaat geen geschikt moment om Het Belgisch labyrinth te lezen. Wij willen niet ontkennen dat er links en rechts interessante informatie uit op te pikken valt; daar gaat het ons niet over. Het gaat ons over dat toontje. Dat verontwaardigde, schoolmeesterige, drammerige, prekerige toontje. In combinatie met de inhoudelijke incoherentie, natuurlijk.

Het Belgisch labyrinth is meer een pamflet dan een academisch werk. Goed. Daar brengen wij een zeker begrip voor op. Maar én verontwaardigd zijn, én incoherent, én dan nog eens belerend ook — dat is van het goede teveel, zelfs voor een tolerante lezer als een Plasky.

Toch hebben wij het boek nog wel enige hoofdstukken volgehouden. Tot we aan dat deeltje kwamen waar van Istendael begint te preken over het talige onvermogen van de verkavelingsvlaming.

Nu valt daar inderdaad één en ander over te zeggen, maar een boek dat vindt dat de Vlaming zijn Nederlands veracht, miskent, bespuwt en vertrapt — zo’n boek zou op z’n minst zelf in onberispelijk Nederlands moeten zijn uitgegeven, waar of niet.

Maar de titel krijgt zijn adjectief niet eens correct verbogen. Wij hebben de hele zwik dan ook welgezind weer dichtgeslagen en zwierig de papierbak in gemikt. Van dergelijke schoolmeester hebben wij geen lessen te leren.

Verdere pogingen om welingelichte burgers te worden zijn voorlopig gestaakt;  wij lezen nu P.G. Wodehouse. Benieuwd wie op 14 oktober onze slecht geïnformeerde stem zal binnenhalen!