Proefkonijnen achter de katheder

Wie is er eigenlijk ooit op het bespottelijke idee gekomen om politici colleges politicologie te laten geven? Dat is alsof je geesteszieken psychiatrie laat doceren, of runderen veeartsenij. Ik zal niet beweren dat op die manier niets te leren valt over het vakgebied, maar slechts op voorwaarde dat het studie-object ook dan als studie-object beschouwd wordt, en niet als echte docent.

De dagelijkse verslaggeving geeft echter niet de indruk dat de heren politici deel uitmaken van een onderhoudend experiment ter initiatie van een groep aspirant-wetenschappers. De wetenschappers in de dop zijn geen actieve vorsers; ze zijn slechts irrelevante toeschouwers van de partijpolitieke propagandisten, die op de universitaire tribune hun oorlog met andere middelen voortzetten.

Het werkelijke publiek voor deze colleges zijn dan ook niet de studenten. Dat zijn de journalisten, die ook massaal in de aula hebben plaatsgenomen. Waar partijpropaganda wordt gevoerd, zal de Wetstraatverslaggever immers trouw zijn notitieboekje volkrabbelen.

Als er één ding nog ellendiger is dan die openingscolleges, is het wel de verslaggeving ervan. De volstrekt talentloze Roel Wauters mag in De Morgen tonen hoe je over een zinloos college een nog veel zinlozer stuk schrijft. De dieptepunten in politieke verslaggeving die hier worden bereikt zijn ongezien, en waren dat beter ook gebleven.

Enfin, om maar te zeggen: dat einde van het begin van het academiejaar zal niets te vroeg komen.

 

LINKS:

De duisternis daagt

De literatuur, zo denk ik vaak, heeft helaas nog maar weinig van de edele schoonschrijverij die ooit zo ongebreideld bloeide. Wie durft nog in proza een welgemikt chiasme te planten, wie zet homerische vergelijkingen en zeugmata in zijn zinnen? Erwin Mortier, zo antwoordt u misschien. Maar ik bezweer u, beminde gelovigen: woordenboeken overschrijven in analfabetische volgorde heeft nog nooit iemand tot schrijver gemaakt.

Gelukkig, echter, schitteren daar jonge talenten aan de einder, die ons gestamel doen stokken tussen ‘armoe’ en ‘troef’. Bouwende auteurs, creërende creaturen die met de syntactische precisie van Thomas Mann en de beeldende kracht van Curzio Malaparte de Nederlandse taal en enkele gelukkige lezers verrijken.

Zij zijn niet ras te vinden, deze drie ontpoppende pennen. Zij kleuren buiten de lijntjes van het boekbedrijf en publiceren, zomaar, schier gratis, hun experimenten in het dagblad. Hun namen: Ann Van den Broek, Jeroen Van Horenbeek en Roel Wauters.

Gisteren, bijvoorbeeld, verblijdden zij ons met een surprise in De Morgen. Op pagina 3, zelfs, waar wij zo graag eens een eerlijk stuk van Yves Desmet zouden lezen over de reeks ‘Media en politiek’ van Tom Cochez. De pagina waar voor hetzelfde geld had kunnen staan waarom onze Westerse overheden schuldig verzuim plegen in de ebolacrisis – ik verzin maar iets.

Maar gisteren dus, op pagina 3 in De Morgen, naast een rijkelijk gestoffeerde inleiding van bovengenoemde Desmet, een kortverhaal dat uitblinkt in stijl en meeslependheid. Geniet mee van enkele hoogtepunten uit het literaire feit ‘En toen begon Reynders’ stem te trillen…’:

De duisternis begint langzaam te wijken wanneer het voor Didier Reynders definitief begint te dagen. (…) Tranen vloeien er niet, daaraan zal Reynders zich nooit laten kennen, maar de tremelo* in zijn stem zegt alles.

(…) Rond negen uur woensdagavond, na een voorgerechtje van Sint-Jacobsschelpen** en een visschotel, valt de plenaire vergadering stilaan uiteen in bilaterale onderhandelingen, om rond middernacht volledig te desintegreren in kleine groepjes. (…) Het personeel van de Kamer smeert boterhammen voor de hongerige N-VA-delegatie, Alexander De Croo werkt de laatste stukken Pizzahut-pizza die een werkgroep heeft achtergelaten naar binnen.

*De auteurs bedoelen ‘tremolo’.
**De auteurs bedoelen ‘Sint-Jakobsschelpen’.