De Morgen helpt een aspirant-journaliste

Luisteraars en luisteraressen! Heeft u emoties? Laaien zij al eens hevig op? Schrijf alles van u af in uw papieren dagboek!

Schaf u zo’n schattig schriftje met blikken slotje aan, of laat het u voor kerst aanschaffen door een familielid dat het goed met u voorheeft. Al uw frustraties, al uw woede, al uw verdriet pent u met tranen in de ogen neer in dat boekje.

Vele pagina’s vol tenenkrommend kromme zinnen, mismeesterde beeldspraak, en hoogdravende pathetiek. Dat doet deugd, nietwaar! Ja, dat boekje ziet er wat onnozel uit, maar het doet deugd, en dat is wat telt.

Stel dat u dat boekje niet had. Misschien maakte u dan wel een blog aan! Op het internet! De gevolgen zouden niet te overzien zijn. Dan zou het volgende horrorscenario zomaar werkelijkheid kunnen worden.Lees meer »

Advertenties

Jaarlijkse julidrama in De Standaard

We zijn er aan begonnen, aan de maand juli. Voorwaar geen pretje, dat kan ik u wel vertellen. Juli betekent bij De Standaard namelijk een onprettige stijging van het aantal opiniestukken van de hand van Zijne Marketeerigheid. Ik veronderstel dat de vaste leveranciers van meningen op dat moment aan de Turkse kust liggen te stoven, waar zij weigeren iets anders te schrijven dan een occasionele postkaart met zonnige groeten.

Op zo’n moment moet de hoofdredacteur-directeur zelf aan de slag. Deze erg professionele grafiek toont de gevolgen daarvan. Het aantal artikels van Peter Vandermeersch’ hand in De Standaard, per maand sinds januari 2005:

Het probleem met Vandermeersch zijn pennenvruchten is vooral dat er zelden een gevatte opinie uit spreekt, toch een ernstige handicap voor een opiniestuk. En de rustige zomerperiode lijkt misschien een geschikt moment voor Vandermeersch om zijn pen te leren aanscherpen, maar het tegendeel is waar.

Ten eerste hebben zijn vorige vakantieoefeningen weinig tot geen verbetering opgeleverd. En ten tweede is het in het nieuwsluwe juli extra moeilijk om zinnige kanttekeningen bij de actualiteit te bedenken. Eergisteren moest Vandermeersch het al over Carl Devlies hebben. Dat belooft voor binnen twee weken, als er écht niets meer gebeurt.

Uit onze nog steeds professionele grafiek blijkt evenwel ook het goede nieuws: in augustus geeft Vandermeersch het op en schrijft hij amper nog. Tenzij postkaarten met zonnige groeten van aan de Turkse kust, maar daar hebben wij geen last van.

De Wever brult, maar hij zegt niets

Bart De Wever heeft voor de politiek gekozen om zijn carrière in uit te bouwen, niet voor de wetenschap. Dat is uiteraard zijn goed recht, alleen heeft het tot gevolg dat zijn veel gelezen en vaak ten onrechte geprezen columns vaker wel dan niet van een intellectuele oneerlijkheid of krom denkwerk getuigen. Overigens gaan ze meestal dan nog over de intellectuele oneerlijkheid of het kromme denkwerk van een of andere Paul Goossens , Tom Lanoye of Jos Geysels, maar tot daar aan toe. De Wever schuwt de discussie tenminste niet. En wij nemen die gelegenheid uiteraard te baat.

Vandaag maakt hij het weer behoorlijk bont. De N-VA’er (overigens de enige N-VA’er van enig belang) vergelijkt het Ierse ‘no’ tegen het Verdrag van Lissabon met het Franstalige ‘non’ tegen een Belgische staatshervorming. Dat levert hooguit prettige politieke fictie op voor bij de ontbijtgranen, met de realiteit heeft het slechts heel in de verte te maken. De man die ‘politiek correct links’ er zo graag — en vaak terecht — op wijst dat ze de zaken niet uit hun context mogen halen, lijdt zelf aan hysterische vergelijkingszucht.

De kern van het onrecht dat De Wever ontwaart:

Met de Ieren vormen wij geen democratie, maar we zouden ze moeten buiten zetten als ze een verdrag met ons weigeren. Met de Franstaligen vormen we (zogezegd) wel een democratie, maar zij hebben daarin het vanzelfsprekende recht om de meerderheid te blokkeren.

De Ieren tegenover de rest van Europa zijn volgens de voorzitter zoals de Franstaligen tegenover de rest van België: een minderheid. Bovendien hebben de Ieren op zich meer rechten dan de Franstaligen aangezien ze over een hogere mate van soevereiniteit beschikken. Het gaat echter helemaal niet om dezelfde verhoudingen: zowel het grootteverschil als het type relatie verschillen grondig. Vier miljoen tegenover bijna vijfhonderd miljoen is niet hetzelfde als vier miljoen tegenover zes miljoen. Of: één natie op de zevenenwintig is geenszins hetzelfde als één bevolkingsgroep (of zeg maar twee gemeenschappen en zelfs gewesten, ik denk niet dat De Wever veel Brusselaars tot zijn kamp rekent) tegenover een andere (één gemeenschap/gewest).

De tweede geciteerde zin leert ons niets nieuws: De Wever vindt dat de Vlamingen (of in het geval van daadwerkelijk separatisme: negen procent van de Vlamingen) zonder pardon een wijziging van de essentie van de staat moeten kunnen opleggen aan de Franstaligen. Dat het niet alleen beleefd maar ook niet meer dan logisch is dat zoiets in overleg dient te gebeuren, waarbij men niet enkel over de eigen eisen wilt spreken (iets wat tot nader order aan beide kanten van de taalgrens een probleem lijkt), ziet hij niet in. Dat we een democratie zijn, betekent niet dat we probleemloos ‘onze wil’ kunnen opleggen, wat die ook mag wezen. Bart De Wever ziet daar natuurlijk wel heil in, getuige zijn aversie jegens de grendelgrondwet (cfr. infra). Benieuwd wat zijn mening zou zijn als de Franstaligen toevallig met een miljoen meer waren dan de Vlamingen.

Ook de hervorming waarvan sprake is totaal anders, om niet te zeggen volstrekt het tegenovergestelde. De Wever en andere Vlamingen willen federale bevoegdheden naar lagere niveaus overhevelen, in Europa gaat het net om een optimalisering van het hoogste bestuursniveau, al gaat het naast een duidelijkere omschrijving van bevoegdheden vooral over de manier waarop de unie functioneert, over institutionele aanpassingen. Bovendien lijkt me de crisis in de EU groter en vooral van een andere aard te zijn dan die in België. Europa is zodanig uitgebreid dat de oorspronkelijke spelregels niet meer werkbaar blijken en dus wil men die aanpassen. In België, dat meer en meer beleidsruimte net naar hogere niveaus zoals de Europese Unie ziet verdwijnen, merkt men enkele problemen (die ik niet wil minimaliseren maar die het land ook niet lam leggen), en blokkeert dan het bestuur van het land precies door te roepen dat ze niet meer kunnen besturen. Je hoort mij niet zeggen dat een staatshervorming overbodig is, maar omzeggens niets doen tot er een komt en op die perverse manier je gelijk krijgen, is alleszins waanzin.

Het ‘non’-kamp heeft zich van de meest populistische en leugenachtige standpunten bediend om zijn gelijk te halen.

Dit is grof: iemand die, net als Guy Tegenbos in De Standaard, alle problemen van het land afschuift op de Franstaligen en bij wijze van stunt een vrachtwagen geld naar het zuiden rijdt, moet anderen geen populisme verwijten, laat staan leugenachtige standpunten.

Maar zelfs als de staatshervorming gereanimeerd wordt, is er niets veranderd aan de democratische absurditeit van de Belgische unie, het feit namelijk dat een minderheid de meerderheid kan gijzelen. Aan de grendelgrondwet wordt immers in de voorstellen tot hervorming niet eens geraakt. Met democratie heeft dat niets meer te maken, wel met achterhaalde prerogatieven van regio’s en zelfdestructie. Het is tijd dat men inziet dat ook een brullende muis een ridicuul, klein beestje blijft.

Deze vergelijking is helemaal bij de haren getrokken: de hervormingen zoals ze worden vastgelegd in het Verdrag van Lissabon behelzen onder andere dat het unanimiteitsbeginsel wordt aangepast. Met andere woorden: de huidige toestand waarin “een minderheid de meerderheid kan gijzelen” zal op heel wat beleidsdomeinen niet meer zo makkelijk voorkomen. Straf ook hoe De Wever democratische principes omdraait in zijn pleidooi vóór democratie: hij, en niet een bepaalde meerderheid van het volk, zegt onomwonden: “Met democratie heeft dat niets meer te maken, wel met achterhaalde prerogatieven van regio’s en zelfdestructie.” Wie zichzelf als een andere democratie beschouwt dan de Franstalige bevolking, kan toch op z’n minst de democratische zeggingskracht van die andere democratie erkennen. Niet dus, De Wever zal wel zeggen wat democratisch is en wat niet.

Bijna de helft van de bevolking van een land reduceren tot “een ridicuul, klein beestje” is tot slot helemaal te gek. Bart De Wever beseft waarschijnlijk niet welk gezicht menige Belg voor zich ziet als hij de woorden ‘brullende muis’ leest.

Het einde is in zicht

De krantencommentaren zijn vandaag niet mals voor de regering. Yves Desmet is in De Morgen de wanhoop over Leterme-I nabij, dat voel je, en hij schiet met scherp:

Door blijvend aan te modderen, de verrotting verder zelf te organiseren, iedere verantwoordelijkheid te ontlopen en permanent de schuld daarvoor aan de Franstaligen te geven, kan men immers nog een keertje met een communautaire agenda en als Vlaamse martelaar naar de stembus trekken.

Hij wordt in moedeloosheid echter nog overtroffen door Bart Sturtewagen in De Standaard die volgens mij, ondanks mijn voorliefde voor samenzweringen en strategieën, nog veel scherper schiet:

Er zijn er die in zijn houding het bewijs zoeken voor een meesterlijk plan dat slechts tot doel heeft volgend jaar nog eens langs de electorale kassa te passeren. Vooreerst laat niets vermoeden dat hij uitgaat van enig plan.

Het is natuurlijk ook een bijzonder treurige situatie. Maar ik merk hier toch een eerste positief signaal, met name van Bart Sturtewagen, die eindelijk de moed heeft om een begin van een einde te maken aan deze belachelijke vertoning, die zich nog het best laat vergelijken met slecht improvisatietheater – terwijl politiek geen improvisatietheater zou mogen zijn. Toch niet van bij de allereerste scène.

De acteurs hebben een suggestie gekregen van het publiek en zijn er dan, zonder enig idee over hoe de scène moet verlopen, aan begonnen. En in plaats van een mooie scène uit te bouwen, willen ze liefst allemaal zo lang mogelijk op het podium blijven staan. Omdat de inspiratie niet eeuwig blijft komen, vooral niet als je die van collega-acteurs saboteert, wordt er wanhopig naar het publiek gekeken – zijn er nóg suggesties?

Die zijn er. De journalisten, die beroepshalve in de zaal zitten, laten weten wat ze tot dan toe van het stuk vinden. De acteurs denken uit die analyses inspiratie te kunnen halen om de scène en hun rol meer glans te geven. Als dat misloopt, ligt de oplossing voor de hand: zijn er nóg suggesties? En zo sleept alles aan op uiterst oninteressante manieren.

Daarom ben ik blij dat Sturtewagen schrijft dat er wellicht helemaal geen plan is. Als commentatoren geen complotten meer gaan suggereren, zullen de politici spoedig zonder komen te zitten. Na een kort en triest moment van ultieme inspiratieloosheid zullen ze besluiten dat de scène niet te redden is en beschaamd in de coulissen verdwijnen. Doek!

Brecht Decaestecker bestaat niet

Brecht Decaestecker was gisteren in De Morgen laaiend, brandend enthousiast over deredactie.be. Hij schreef een triestig stukje non-apologie. Hoe komt zoiets tot stand? Gelukkig hebben wij goede informanten op de redactie van De Morgen.

Op de redactievergadering ’s morgen komt men tot de vaststelling: we hebben te weinig opiniestukken binnen gekregen: enkel één van Bert Anciaux. Dat is niet genoeg om de pagina mee te vullen, tenzij met een grote foto, maar dat zou de oplage schaden. Tijd voor de noodoplossing, stelt Bart Eeckhaut: iemand van de redactie schrijft een opiniestuk.

Meteen springt Walter Pauli recht: ikke, ikke, ikke! Dat is voor Eeckhaut kan afmaken met: … over de vernieuwing van de VRT nieuwsdienst. Nu weet Walter veel, heel veel, bijvoorbeeld over wielrennen, maar weinig, zeg gerust niets, over het internet.

Op de redactie van De Morgen hebben ze een huisregel: wie het eerst zijn vinger opsteekt mag het artikel niet alleen schrijven, hij moet het ook. Maar om zichzelf niet oeverloos belachelijk te maken, wordt Walter een gunst verleend: hij mag onder een pseudoniem publiceren. Enter Brecht Decaestecker.

Hoe weten wij zo zeker dat Decaestecker een pseudoniem is? Omdat een echte mediajournalist nooit zo’n onzin zou durven uitkramen. Geen enkele journalist die onder zijn eigen naam schrijft.

Brecht Decaestecker, alias Walter Pauli, belt met een zakdoek voor de hoorn naar de VRT. Daar weten ze hem allerlei promopraatjes te verkopen: web 2.0! Hoezo, vraagt Walter-Brecht. Beeldjes, Brecht. Meer, en snellere, en grotere beeldjes. Oh ja, knikt Walter-Brecht, web 2.0. Is er nog meer? Dat is er. Walter-Brecht slikt het allemaal als zoete koek.

Na het telefoontje is het artikel drie zinnen lang. Het luidt ongeveer als volgt:

“Op 07/01 lanceert de VRT haar nieuwe website, die de recentste ontwikkelingen op het net op de voet volgt. Het nieuws wordt afgestemd op de tv-journaals en er zal sneller en meer beeldmateriaal beschikbaar zijn. De site is ontwikkeld door One Agency, trendsetter in moderne webtechnologie.”

47 woorden slechts. En hij moet er 900 hebben! Walter laat zijn encyclopedische gaven op zijn artikel los. Hij voegt wat lovende bewoordingen toe. En nog wat. Plus wat extra superlatieven. En nog wat. Walter krijgt schik in het componeren van de krankzinnige lofzang. Hij laat zich helemaal gaan. Dra telt het artikel exact 900 woorden.

Eigenlijk schaamt Walter zich voor zo’n journalistiek wanprestatie, maar hij bedenkt dat hij onder een pseudoniem schrijft. En de krant staat vol. Dat is toch het belangrijkste.