Poëzie is veeleisender dan proza

Marc Vanfraechem is soms een scherp waarnemer en dat kunnen wij waarderen. En wat wij ook waarderen, is de kille arrogantie waarmee hij zijn opmerkingen neerschrijft. Er is natuurlijk ook veel aan Marc dat wij niet waarderen, maar daar gaan we vandaag niet op in, de bedoeling is deze uitzending kort te houden.

Marc stelt zijn waarnemingen te boek in blogposts, die soms een beetje naar essays neigen. Dat is goed. Het moet niet allemaal in 140 tekens. Hij strooit graag culturele referenties in het rond, soms nogal overbodig, maar ook dat is goed. Marc schrijft vlot en wij gunnen iedereen zijn intellectuele ijdeltuiterijtjes.

Wat wij hiermee willen zeggen is: Marc, die lange, beschouwende stukken vol citaten van buitenlandse wijsgeren, wij lezen dat graag. Doe zo verder, doe waar je goed in bent. Age quod agis.

Maar doe alsjeblieft niet waar je niet goed in bent. Schrijf proza, geen poëzie. Je wil het misschien niet eens poëzie noemen, Marc, maar wij bedoelen: geen gedichten. Geen puntverzen, geen gelegenheidsverzen, geen combinatie van beide, niets! Alleen proza! Anders krijgen we dit, nietwaar.

Bij de MR krijgt een stupide gans
als Gaëlle Smet geen tweede kans
maar bij de VLD
viel voor Brusseel het nog wel mee

Wat een zootje is dat, Marc! Wij struikelen met zoveel geweld over het gebrek aan ritme, dat we het rijm nauwelijks nog opmerken! Wij hadden gehoopt dat iemand die zo ijverig koketteert met de klassieken, meer respect zou opbrengen voor een klassieke literaire waarde als het metrum.

Maar het is niet erg dat je voor geen meter kan dichten, Marc. Aanvaard van ons gewoon dit welgemeend advies: doe het niet.

LINK:

#616

Toevallig raakten wij verzeild op het online project van Achille van den Branden. Van den Branden is een soort maniakale veellezer die over alles wat hij leest, ook nog eens schrijft. Wat je noemt een maniak dus. Het enige wat ons erger lijkt, is iemand die dan alle besprekingen van van den Branden leest.

Maar goed, we moeten het niet over Achille zelf hebben. Laat ons het eens hebben over zijn recensie van een leuk boekje van Hugo Matthysen: Joe Roxy verzameld. Van den Branden schrijft:

Joe Roxy beoefent voornamelijk het kwatrijn. Anders dan Drs. P. staat hem daarbij geen metrisch spierballengerol voor ogen, maar meligheid, opgewekt door licht absurdisme en de welgemikte dooddoener. Het onderstaande vers mag als exemplarisch gelden:

Mijn woorden zijn magische krachten
Vol ijzeren kleiduifgevoel
Diegenen die daar ooit mee lachten
Verkocht ik een dreun op hun smoel!

Zou het van den Branden zijn opgevallen dat dit exemplarisch gedicht metrisch sluit als een bus? Het andere, “klassieke” gedicht dat hij citeert sluit metrisch al even hermetisch. Meer spierballengerol hoeft dat niet te zijn.

LINKS:

Kwatrijn, tetrastichon, vierregelig gedicht

Indien men zichzelf een wervelbreuk wil besparen, en tevens zijn tijd nuttig wilt doorbrengen, dan dient men de Vlaamse weekendkranten te mijden als de pest. Wij spenderen onze weekends vér uit de buurt van onze brievenbus, en laten al dat overbodige papier maandagochtend meteen bij mekaar vegen door onze Poolse poetshulp. Zij beheerst het Nederlands niet en is verzekerd tegen arbeidsongevallen.

Toch is het ons niet ontgaan dat er sinds enige tijd des zaterdags een rubriekje in De Standaard prijkt met de aardige naam ‘Kwatrijnen’. Een kwatrijn, dat weet u, is een vierregelig gedicht, dat in zijn klassiekste vorm het rijmschema aaba bezigt, maar abba of zelfs aabb mogen ook best. Wat betreft het metrum zijn er geen vereisten, zolang er maar een metrum is.

De kwatrijnen in die verfoeide weekendkrant zijn opgevat als puntdichten, en dat vergenoegt ons zeer. De plezierdichterij wordt te weinig naar waarde geschat in Vlaanderen en wanneer een dappere onverlaat er zich toch aan waagt, is het resultaat zelden indrukwekkend. Dat komt natuurlijk omdat wij onze dichters niet voldoende gelegenheid geven zich te oefenen, en daarom verdient het initiatief van De Standaard alle lof.

Tegelijk toont de rubriek aan hoe droef precies het gesteld is met de beheersing van de schone puntdichtkunst in onze contreien. Lees meer »

Juryverslag: Poëzie Prijs voor Pastiches op Parodieën

1. VOORAF

De opdracht voor de prijs luidde als volgt: schrijf een finalestrofe op het in memoriam dat Emile Plasky voor Kaat schreef.

Dit gedicht was, natuurlijk, een pastische op Aan J.J.L. ten Kate, een briljant spotvers van de hand van Cornelis Paradijs (ps. Frederik van Eeden). De jury keek naar metrum, rijm, zinsbouw en inhoud en volgde verder haar hoogst subjectieve voorkeuren waarover zij geen enkele verantwoording aflegt.

De originele finalestrofe van Paradijs zag er zo uit:

Zing op! Zing op! ten Kate!
(Gij kunt het toch niet laten)
Laaf onze ziel aan Harmonie,
Al wat gij zingt is Poëzie!
Zing dartel, speelsch of vroom van zinnen
Op kerken, vorsten of vorstinnen,
Wij minnen alles wat gij doet:
Want wat ten Kate schrijft is goed!
Zing, J.J.L. ten Kate,
Ten aller vromen bate!

Dat zijn dus tien regels, in het rijmschema aa-bb-cc-dd-ee. De eerste twee regels hebben negen lettergrepen, de volgende twee acht, dan zeven, dan weer acht en de laatste twee opnieuw negen. De klemtonen vallen in alle verzen op de even lettergrepen, wat maakt dat de a-, c- en e-regels vrouwelijk rijm hebben en de b- en d-regels mannelijk rijm.

Het rijmschema en het metrum overnemen waren de technische minimumvereisten. Verder moest ook de inhoud en toon overgenomen worden: een archaïsch Nederlands met zwaarbeladen metaforen en opgeblazen zinsconstructies.

Of de strofe van Paradijs perfect is of niet doet er verder niet toe: ze is het model waarop de deelnemers zich moesten richten. Gaan wij dan nu over tot de evaluatie van inzendingen.

Lees meer »

Eerst het metrum & het metrum eerst

In een recente blogpost geeft Stanza ons de goede raad te schrappen bij het schrijven. Zeer goede raad, inderdaad, maar gaat de auteur niet wat kort door de bocht? Hij stelt: schrap bij het dichten alles wat niet strikt noodzakelijk is. Een strofe die weggelaten kan worden? Schrappen! Een regel teveel? Schrappen!! Een woord dat niet op z’n plaats staat? Schrappen!!!

Op zich zijn wij het hier laaiend mee eens. Het schrappen van strofes is aan te moedigen, als dat het verhaal tenminste niet beschadigt. Maar het schrappen van regels is al riskanter en het schrappen van woorden is ronduit link.

Regels en woorden zitten namelijk in een metrum, het ritme van de tekst dat bepaald wordt door welke lettergrepen beklemtoond zijn en welke niet. Als je woorden en dus lettergrepen begint te schrappen zonder ze kundig te vervangen, dan eindig je zonder metrum. En op De Schoolmeester na hebben wij niemand ooit goede metrumloze verzen weten schrijven.

Toch stelt Stanza:

Strofe twee start […] als volgt:
‘Start! Ik heb honger, en ik neem gerookte ham’
Het probleem hier is dat ik maar twee strofen heb (de derde was geschrapt!) en dat het dus raar is om “Start!” te roepen halverwege het lied, maar ik had een woord nodig om het metrum te completeren. Niks nodig, gewoon schrappen en een gitaaraanslag zal wel zorgen dat het metrum klopt. Probleem opgelost!

Probleem opgelost? Allerminst: de gitaaraanslag camoufleert het probleem in plaats van het op te lossen. Stanza gaat te licht over het metrum. Metrum is geen speeltje van de dichter, metrum maakt dat een tekst lóópt, dat hij werkt. Een tekst waarin het metrum wordt veronachtzaamd strompelt, struikelt en komt ten val.

Tekstueel zou Stanza er onzes inziens dan ook sterk op vooruitgaan als de tekstschrijver meer op het metrum zou letten. En om deze brutale stelling te onderbouwen,  hebben wij onze tanden gezet in het lied Tijdloos.

Tijdloos is een pastische van Stanza op Drs. P. Maar de pasticheur vat de essentie van Drs. P niet. Hij beseft niet dat Drs. P niet in de eerste plaats een humorist is, maar een briljante versificator die metrum en rijm perfect beheerst. Zo komt het dat de humor in Tijdloos wel klopt, maar dat het metrum een totale puinhoop is. Zo gaat dat niet, zéker niet in een pastische op Drs. P.

Wij hebben de tekst voor u tot op het bot afgekloven. Luister, huiver, en probeer er wat van op te steken.

Lees meer »

Ruk door bij toe

De krant is mij soms een middelmatig Belgisch rockconcert. Neem De Morgen van vandaag. De eerste katern blinkt nergens uit, al is ie evenmin kwaad. Je mist wel iets – gebeten journalistiek, bijvoorbeeld, wat meer engagement, gedurfdere prioriteiten – maar al bij al klinkt het niet slecht.

En dan kom je bij de bisnummers. Ongevraagd, met overbodig gebral verknoeien ze het fragiele voorgaande. Je leest dat één op de drie Belgen af en toe een tik geeft aan zijn computer, en je vindt het helemaal niet meer vreemd dat de noemer ‘Belgen’ uit de titel natuurlijk enkel betrekking heeft op Belgische computergebruikers, omdat op de twee pagina’s daarvoor al een federale minister de begrippen ‘consument’ en ‘doorsnee Vlaming’ volledig inwisselbaar acht.

Bis voegt meestal niets toe aan de krant, maar illustreert goed waar het fout loopt.

Lees meer »