Skip to content

De blijde intrede van Marijke

22 mei 2013

LOG 20130522 04:34

Er is geen redactievergadering. Alleen Auguste en Emile bevinden zich in het redactielokaal. Ze zitten aan de vergadertafel, hoewel ‘zitten’ misschien een beetje een overdreven term is voor Emiles toestand. Hij leunt zwaar op de tafel met zijn beide ellebogen, met zijn hoofd in zijn handen, en hij staart naar het tafelblad. Deze houding drukt zowel dronkenschap als wanhoop uit en de waarheid is dat beide Emile midscheeps getroffen hebben. Blinkt daar een dronkenmanstraan in zijn linkeroog? Het zou kunnen, maar de resolutie van deze webcamera is te laag om het met zekerheid te kunnen zeggen.

Auguste ziet er heel wat schappelijker uit, hoewel kenners zouden opmerken dat zijn oren verdacht rood aangelopen zijn. In elk geval lijkt hij nog zelfstandig te kunnen zitten en het is ook zeker dat in zijn ogen geen tranen blinken.

Rond beide broers bevinden zich meerdere lege flessen Grimbergs bier en ook twee grote glazen. Hieruit kan men al dan niet conclusies trekken.

Emile: “Kaat had gelijk, Auguste. Ze had gelijk! Ik was te mild voor Timmerman, veel te mild. Hoe kan dat nu? Ik ben toch een Plasky!”
Auguste: “Natuurlijk zijt gij een Plasky, Mieleken. Ge moet u dat zo niet aantrekken. Kaat is maar een luisteraar, hoor.”
Emile: “Ik trek het mij tóch aan. Wacht maar tot Timmerman nog eens iets schrijft. Dan zal ik mijn fout rechtzetten!”
Auguste: “Ge zijt te emotioneel, Miel. Wij breken mensen af omdat ze dat verdíenen, niet om ons gekwetste ego te genezen. Weet ge wat gij zijt? Veel te emotioneel, dát zijt gij.”
Emile: “Ja, maar gij giet mij al een hele avond vol bier! Natuurlijk ben ik emotioneel!”
Auguste: “’t Is al goed, ’t is al goed. Wacht, ik doe nog een fles open.”

Auguste opent de volgende vijvenzeventigcentiliterfles Grimbergen en schenkt de glazen nog eens vol. Emile neemt snel enkele gulzige slokken.

Emile: “Het is omdat hij een pijp rookt. Hoe geweldig is dat? Ik moet het noodgedwongen bij sigaren houden, ik kan een pijp geen kwartier smeulend houden! Pijproken getuigt van kunde, klasse en talent!”
Auguste: “Er hangt schuim in uw snor, Emile.”
Emile: “Van begaafdheid en beschaving! Van… hé, wat? Wat is er van mijn snor?”
Auguste: “Dat er schuim inhangt. Nee… ja, ’t is weg. Nu, luister eens goed hier, Mieleken. Ten eerste voelden ze zich bij Apache toch een beetje op hun teen getrapt, als we hun twittercorrespondenten mogen geloven. Dus dat zit wel snor. En ten tweede is die hele Kaat niet meer dan een luisteraar. Sinds wanneer trekken wij ons iets aan van luisteraars?”
Emile: “Ja, maar…”
Auguste: “Niets te maren! Ik zal u eens iets zeggen: onze luisteraars zijn parasieten! Luizen! Wantsen! Kakkerlakken, die profiteren van onze ether! Die leven van de kruimels die wij voor hen laten vallen! Die verdomme blij mogen zijn dat we hen tolereren in onze zendruimte!”
Emile: “Onze zendruimte?”
Auguste: “Ja, onze zendruimte! Ik heb zopas besloten dat dat bestaat, dus bestaat het! En onderbreek mij nu niet meer en zwijg een beetje. Luister: al die kakkerlakken scharrelen rond aan de voeten van ons, reuzen. Wij zouden hen kunnen vermorzelen onder onze dure Italiaanse schoenen, maar dat doen we niet, want wat kunnen die kakkerlakken ons schelen? Laat hen krioelen! Zij blijven kakkerlakken en wij blijven reuzen, nietwaar. Edoch! Al dat onderscheid tussen reuzen en kakkerlakken neemt natuurlijk niet weg dat niet alle kakkerlakken gelijk zijn. Ja, sommige kakkerlakken zijn gelijker dan andere! Volgt ge mij nog, Emile Plasky, broer?”

Emile knikt vlug maar blijft, zoals hem bevolen was, zwijgen. Hij vult wel zijn glas opnieuw tot de rand met Grimbergen.

Auguste: “Wij reuzen moeten als goede liberale huisvaders waken over de kakkerlakkensamenleving en de enige goede samenleving is een zuiver meritocratische samenleving! Er zijn domme en minder domme kakkerlakken, en af en toe komt zelfs een slimme kakkerlak voor. Ja, Gods wegen en die der arbitraire DNA-mutaties zijn ondoorgrondelijk: slimme kakkerlakken, stel je voor. Maar ze bestaan! En wij moeten ervoor zorgen dat zij hun rechtmatige plaats in ons luisteraarspubliek krijgen. Wijlen Kaat was, ik moet het u niet vertellen Emile, zo’n kampioene der kakkerlakken.”

Emile ledigt zijn glas, en schenkt opnieuw bij. Ja, zo’n Grimbergentje, het kan al eens smaken.

Auguste: “Maar waar er goede uitzonderingen zijn, zijn er ook slechte! En de slechtste, vervelendste, verwerpelijkste kakkerlakken zijn zij die proberen te profiteren van het succes van anderen. Ik heb het natuurlijk over de nieuwe ‘Kaat’, die dit prachtige meritocratisch systeem probeert te misbruiken door mee te surfen op het succes van de naam ‘Kaat’. Deze profiteuze is één der verderfelijkste der verderfelijke parasieten! Reuzen, beste Emile, horen zich niet te laten intimideren door kakkerlakken, en al zéker niet door de verdorven exemplaren!”

Emile, die er niet al heel helder meer uitzag, lijdt merkbaar onder de het vele bier. Het lijkt er niet op dat het sermoen van zijn oudste broer goed tot hem doordringt. Emile zelf daarentegen, drinkt wel goed door. Ha ha.

“In de eerste plaats wil ik dus niet dat ge u aantrekt wat die nepkaat allemaal beweert. En in de tweede plaats, en ik snap niet waarom ik daar nu pas aan denk, is het tijd voor maatregelen tegen die klaploopster. Het moet maar eens gedaan zijn met die vermommingen. Vanaf nu heet ze Marijke. Marijke zal zij heten, en… Emile! Emile! Hoort gij mij wel!?”
Emile: “Eehhh… Wat? Marijke?”
Auguste: “Marijke! En wanneer ze niet onder die naam inbelt, dan is het aan u om haar te corrigeren. Dat kunt ge toch?”
Emile: “Euh, ja. Ja, natuurlijk. Maar waarom ‘Marijke’?”
Auguste: “Omdat ik dat een zeldzaam suffe naam vind, meer moet ge er niet achter zoeken. Het in elk geval niets te maken met die verraderlijke trut die mij destijds… enfin, daar heeft het dus niet mee te maken. Alles wat gij moet weten, is dat het Marijke is.”
Emile: “Goed, hoor. Marijke it is. Maar dan is er nog die kennis van wijlen Kaat, die ook af en toe onder haar naam inbelt. Wat moet ik daarmee?”
Auguste: “Die kan maken dat hij ook met een alternatief op de proppen komt. Anders zal ik er wel één voor hem vinden, ik heb genoeg… genoeg inspiratie!”

Emile knikt en staat recht. Hij moet zich even aan de tafel vasthouden om niet om te vallen, maar na enkele seconden lijkt hij zijn blik weer gefocust te krijgen. Hij zet enkele aarzelende maar al bij al stabiele stappen in de richting van de deur, bedenkt zich dan en draait zich weer naar zijn broer. Die zit nog steeds aan tafel.

Emile: “Auguste, bedankt voor het bier en de babbel. Dat heeft mij ferm deugd gedaan, ik had dat echt nodig. Merci dat ge er voor mij zijt, broer.”
Auguste: “Geen probleem, Emileke. Daarvoor ben ik uw hoofdredacteur.”

Opnieuw knikt Emile, en hij waggelt verder naar de deur. Dit duurt enige tijd, want elke stap is een evenwichtsoefening. Wanneer hij zijn hand op de klink legt, klinkt opnieuw de stem van zijn chef-broer.

Auguste: “Maar als ik nog één ding mag zeggen, Mieleken…”
Emile: “Ja?”
Auguste: “Dat mag volgende keer wel wat scherper voor Timmerman.”

One Comment leave one →
  1. Marijke permalink
    22 mei 2013 23:43

    Marijke? Voor wie of wat hou jij me eigenlijk, Gust Plasky? Een del? Een lellebel? Het ex-lief van Yves? Onnozelaar.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s