Skip to content

Aanzet tot een radicale herdenking van de Nederlandse spelling

12 december 2012

Een tijdje geleden beleefde ik een nogal deprimerende hoogdag op kantoor. Op één ochtend detecteerde ik in de teksten van een leverancier – iemand die dus betaald wordt om teksten voor mijn werkgever te schrijven – drie dt-fouten. En in een tekst van een collega vond ik een vierde dt-fout. Moet je daar nu vrolijk van worden?

Als humeurige klager is vrolijkheid sowieso al niet aan mij besteed, maar een intelligente analyse des te meer. Ik dacht: misschien ligt het niet aan die achterlijke klunzen waarmee ik gedwongen word samen te werken; misschien ligt het aan het systeem.

En na enig denkwerk kan ik u verklappen: het ligt inderdaad aan het systeem. De dt-regels deugen voor geen cent. Daarom deze aanzet tot een radicale herdenking van de Nederlandse spelling.

(Opgelet, wat hier volgt is een uitgebreide spellingstechnische uiteenzetting. Ik heb geprobeerd om het zo toegankelijk mogelijk te verwoorden.)

Waarom schrijven wij ‘paard’ met een ‘d’? We zeggen een ‘t’, maar we schrijven toch een ‘d’. Omdat, zo is ons geleerd, het meervoud ‘paarden’ is, en dan horen we die ‘d’ wél. Er zijn zo nog meer woorden: ‘hond’, ‘grond’ en ‘mond’, en ‘rib’, ‘lob’ en ‘krab’ werken volgens hetzelfde systeem.

Dit is de regel: als je in het meervoud een stemhebbende medeklinker hoort, dan schrijven we ook in het enkelvoud die stemhebbende medeklinker, ook al hoor je hem daar stemloos. Dat lijkt een redelijke regel; hij is ook handig, want dan weet je meteen dat het meervoud ‘paarden’ is en niet ‘paarten’.

Helaas is dat eigenlijk niet de regel. Het meervoud van ‘huis’ is ‘huizen’, maar we schrijven niet ‘huiz’. Het meervoud van ‘druif’ is ‘druiven’ maar we schrijven niet ‘druiv’. Voor sommige klanken maken we in de spelling de omzetting van stemhebbend naar stemloos wel, en voor andere niet. Dat is onlogisch, en dat is een belangrijk deel van de reden waarom de dt-regels zo complex zijn.

Dit zijn in het Nederlands de klanken die stemhebbend (links) of stemloos (rechts) kunnen zijn.

b → p
d → t
v → f
g → ch (zoals in chronologie)
z → s

Er zijn er in theorie nog wel, zoals ‘k’/’g’ (zoals in garçon) en ‘sj’/’zj’, maar die zijn tamelijk zeldzaam en komen hoofdzakelijk in leenwoorden voor, dus ik laat ze hier even buiten beschouwing.

Het verschil in die stemhebbende en stemloze klanken is zo eenvoudig dat het bijna te stom is om uit te leggen: wanneer je die klanken uitspreekt maken je tong en lippen en tanden bij beide klanken exact dezelfde beweging, maar bij de stemhebbende medeklinker gebruik je ook je stem en bij de stemloze dus niet.

Nu laten wij in het Nederlands niet graag woorden eindigen op een stemhebbende medeklinker wanneer er ook een stemloze variant voorhanden is. Daar is geen echt waarom voor, zo doen we dat nu eenmaal in het Nederlands. Dus als de medeklinker achteraan een woord komt (meer specifiek: wanneer er geen klinker meer op volgt), wordt de stemloze variant gebruikt. Maar op een bepaalde manier blijft hij toch stemhebbend, want van zodra er op een of andere manier weer een klinker wordt achtergezet, klinkt hij ook weer stemhebbend.

In die zin is ‘paard’ een zeer correcte spelling: die eindklank is eigenlijk inderdaad een ‘d’, alleen spreken we hem eventjes als ‘t’ uit, omdat er niets achterkomt. Van zodra er wél iets achter komt, liefst een ‘e’, wordt het spontaan weer een ‘d’: ‘paarden’, ‘paardenmiddel’. Het zou dus op zich best een goeie regel kunnen zijn, als hij maar voor alle klanken werd toegepast.

Maar dat gebeurt niet. Van die vijf paren klanken zijn er drie die op het einde van een woord als de stemhebbende variant worden geschreven, ook al klinken ze op dat moment stemloos. Het gaat om ‘d’/’t’ (paard-paarden), ‘b’/’p’ (lob-lobben) en ‘g’/’ch’ (kroeg-kroegen). De twee overblijvende paren worden stemloos geschreven als ze stemloos klinken, en stemhebbend als ze stemhebbend zijn. Het gaat om ‘v’/’f’ (druif-druiven) en ‘z’/’s’ (huis-huizen).

Nu is het zo dat stemhebbende klanken zich graag laten volgen door andere stemhebbende klanken, en stemloze door andere stemlozen. Dat is lekker consequent, maar heeft vervelende gevolgen, vooral bij de werkwoorden, waar ik het hier dus over wil hebben. Want als je werkwoorden begint te vervoegen, dan wisselt het sterk of er al dan niet nog een ‘e’ volgt. Daar hangt nochtans vanaf of we een ‘d’ of een ‘t’ gaan uitspreken.

Het gevolg is verwarring: in de infinitief heb je de stemhebbende klank, want die eindigt op ‘en’, maar in de stam valt de ‘en’ weg en dan is de klank stemloos. En dan moet je er ‘t’ of een ‘d’ achterplakken, of soms ‘te’ of ‘de’, en dan kan hij weer stemhebbend worden… Die verwarring leidt tot dt-fouten. Want die complexe regels met soms stemhebbend en soms stemloos, zorgen ervoor dat we soms komen tot constructies komt die er eigenlijk nogal stom uitzien:

De dt-regel wordt er nogal doorgehaald tijdens deze uitzending!

We schrijven ‘wordt’ met ‘dt’ want in de stam staat een ‘d’, die we hier evenwel als ‘t’ uitspreken, en dan komt er nog een ‘t’, die we eigenlijk niet uitspreken, want er staat al een klank die we als ‘t’ uitspreken, ook al is hij als ‘d’ geschreven. Ingewikkeld, inderdaad. Zoals ook blijkt uit dit lijstje, dat u zelf mag oplossen:

Zij … de tijd met patience spelen. (‘doden’, onvoltooid tegenwoordige tijd)
Zij … de tijd met patience spelen. (‘doden’, onvoltooid verleden tijd)
Het begr… budget was ontoereikend. (‘begroten’, geadjectiveerd voltooid deelwoord)
Hij begr… het budget ontoereikend. (‘begroten’, onvoltooid verleden tijd)
Wen… u tot de balie voor meer informatie.
Wen… u almaar aan de nieuwe regelgeving.
Wen… u zich tot de balie voor meer informatie.
U wen… al goed aan de nieuwe regelgeving, zie ik.
U wen… zich tot de balie voor meer informatie.

Ja, die laatste is een gemene, vind ik zelf. Maar niet getreurd: Emile Plasky heeft een oplossing bedacht. Twee, eigenlijk. Ofwel laat je alle werkwoorden het principe van ‘razen’ volgen: als het stemloos klinkt, schrijf je het stemloos. Ofwel laat je alle werkwoorden het principe van ‘worden’ volgen: je schrijft het altijd stemhebbend, ook al klinkt het stemloos.

De eerste oplossing lijkt beslist de eenvoudigste. Deze regel kan je in essentie samenvatten als ‘je schrijft het zoals het klinkt’. Dat is inderdaad eenvoudig, maar het is natuurlijk ook een beetje een zwaktebod en bovendien zullen er meteen discussies losbranden over hoe iets nu eigenlijk precies wordt uitgesproken. Bijvoorbeeld bij:

Zij verfden op twee nachten de hele vloot.

Spreken we die ‘f’ niet als een ‘v’ uit? In sommige dialecten wel, in andere misschien weer niet. En als die ‘f’ daar stemloos is, waarom volgt er dan ‘-den’ op in plaats van ‘-ten’? Geen onoplosbare problemen, maar toch: het wordt weer ingewikkeld en dat wilden we nu net niet.

Daarom hebben wij het meer voor de tweede, veel ingenieuzere oplossing:

EENS STEMHEBBEND, ALTIJD STEMHEBBEND!

In deze nieuwe spellingsregels wordt het verschil tussen stemhebbend en stemloos bijzonder belangrijk, want we drijven het op de spits. Alle werkwoorden volgen het principe van ‘worden’. We zullen zien hoe we zo het concept ‘dt’ vernietigen. En door ook op andere vlakken consequenter te zijn, maken we ook met het concept ‘dubbele klinker gevolg door dubbele medeklinker’ komaf. En dan hebben we eigenlijk alle struikelblokken opgeruimd, en ligt weg open naar een betere, eenvoudigere, mooiere spelling!

We beginnen met de onvoltooid tegenwoordige tijd (ovt), omdat dat daar altijd begonnen wordt, en omdat we daar een belangrijk symbool tegenkomen: het verschijnsel ‘dt’ zelf.

a. De onvoltooid tegenwoordige tijd

Zo wordt de ovt op dit moment gevormd:

1. Neem de infinitief en haal de -en op het einde er af.
2. Plak aan de aldus bekomen stam de correcte uitgangen.
3. De uitgangen zijn als volgt: eerste persoon enkelvoud +[niets]; tweede en derde persoon enkelvoud +t; alle personen meervoud +en.

 We schrijven dus:

Ik word nerveus van die spellingsregels.
Jij wordt er neerslachtig van.
Hij wordt er suïcidaal van.
Wij worden allemaal begeleid door een therapeut.

Maar we schrijven ook:

Ik verf mijn schip.
Jij verft je boot
Hij verft zijn vlot.
Wij verven onze vaartuigen.

Meteen zijn een aantal problemen duidelijk: ‘word(t)’ klinkt drie keer hetzelfde, namelijk met een ‘t’ op het einde, want er volgt geen stemhebbende klank, wat in de infinitief of in het meervoud wel het geval is en waar het dan ook als een ‘d’ klinkt. Logisch, maar wordt vreemd geschreven: eerst een ‘d’ en dan nog een ‘t’.

Dat is niet alleen vervelend in de ovt. Want helaas, omdat we hier het verschijnsel ‘dt’ in het leven roepen, beginnen mensen het ook op andere plaatsen toe te passen, waar het helemaal niet hoort. Als we zouden kunnen vermijden dat in de ott ooit ‘dt’ geschreven moet worden, zouden ook andere vervoegingen daar mee van profiteren en zou de totale foutenlast dalen. Dan lezen we nooit meer drama’s zoals:

Ik weet niet wat er is gebeurdt.
Er gebeurdt inderdaad iets, maar ik weet niet wat.

Verder zien we dat de stemhebbende ‘d’ van ‘worden’ bewaard blijft in de stam, maar de ‘v’ van ‘verven’ niet, althans niet in het enkelvoud, maar dan weer wel in het meervoud. Laat ons dat nu eens aanpassen naar onze nieuwe regel: medeklinkers die stemhebbend zijn in de infinitief worden ook in de stam altijd stemhebbend geschreven.

In eerste instantie lijkt dat weinig op te leveren:

Ik word nerveus van die spellingsregels.
Jij wordt er neerslachtig van.
Hij wordt er suïcidaal van.
Wij worden allemaal begeleid door een therapeut.

Ik verv mijn schip.
Jij vervt je boot
Hij vervt zijn vlot.
Wij verven onze vaartuigen.

De stam van ‘verven’ is hiermee alvast altijd ‘verv’, dat is toch al een beetje eenvoudiger. Maar voor ‘worden’ zitten we nog steeds met ‘dt’. We moeten ons hier echter een fundamentele vraag durven stellen: waarom is die uitgang een ‘t’? Ja, waarom eigenlijk? Aha!

Let goed op, want dit is mogelijk de enige originele gedachte in heel deze uitvoerige uiteenzetting.

Volgens mij is de uitgang voor de tweede en derde persoon enkelvoud in de ott niet altijd een ‘t’, maar kan dat ook een ‘d’ zijn. Met name als de stam eindigt op een stemhebbende medeklinker. Dat is namelijk ook hoe het werkt in de onvoltooid verleden tijd (ovt) en bij het voltooid deelwoord (vd). Maar in de ott valt dat niet op, omdat daar nooit een ‘e’ op die ‘t’ volgt. En daardoor klinkt het altijd als een ‘t’ en hoor je nooit dat het soms eigenlijk een ‘d’ zou moeten zijn.

Voor deze theorie heb ik sterke aanwijzingen gevonden. De eerste aanwijzing gaf ik zonet al: het is het geval bij alle andere uitgangen in werkwoordsvervoegingen wanneer er een ‘e’ achter die ‘d’ of ‘t’ volgt of kan volgen. Waarom zou het dan ook niet zo zijn in de ott?

De tweede aanwijzing: soms volgt er wel een ‘e’ en kan je die ‘d’ ook horen. Dat is met name het geval in (onder meer) de Brabantse dialecten. Bij inversie wordt daar aan de gij-vorm van een werkwoord een ‘e’ toegevoegd. En dan klinkt die veronderstelde ‘t’ inderdaad plots als een ‘d’, ook in de ott.

Gij verft den boot.
Vervde gij den boot, of doe ik het?

Gij blijft burgemeester.
Blijvde gij burgemeester, of word ik het?

In dit nieuwe model spelling voeren wij daarom de regel in dat er in de ott voor de tweede en derde persoon enkelvoud een ‘t’ wordt toegevoegd als de stam eindigt op een stemloze medeklinker, en een ‘d’ als de stam eindigt op een stemhebbende.

Ik word voorzichtig optimistisch van deze spelling.
Jij wordd er helemaal vrolijk van.
Hij wordd krankzinnig van vreugde.

Ik verv geen boten meer.
Jij vervd nu mijn boot.
Hij vervd de jouwe dan wel.

Nu zijn we van die dt-ellende verlost, maar zitten we nog met een dubbele ‘d’. Maar bij werkwoorden als ‘zitten’, ‘planten’ en haten’, waarvan de stam op een ‘t’ eindigt, krijgen de tweede en derde persoon enkelvoud in de ott geen extra ‘t’. Want, zo zeggen de regels, er staat er al één. We schrijven niet:

Zij ontpitt de druiven en hij plantt die pitjes nadien in de serre.

Maar wel:

Zij ontpit de druiven en hij plant die pitjes nadien in de serre.

We passen dat principe ook toe op onze nieuwe manier om ‘worden’ te vervoegen:

Ik word voorzichtig optimistisch van deze spelling.
Jij word er helemaal vrolijk van.
Hij word krankzinnig van vreugde.

Hiermee is het dt-probleem van de ott volledig opgelost. Over nu naar de onvoltooid verleden tijd.

b. De onvoltooid verleden tijd

Nog eventjes hoe we de ovt vormen:

1. Neem de infinitief en haal de -en op het einde er af.
2. Plak aan de aldus bekomen stam de correcte uitgangen.
3. De uitgangen zijn als volgt: als de stam eindigt op een klinker of stemhebbende medeklinker, dan krijgen alle personen in het enkelvoud +de en alle personen in het meervoud +den; als de stam eindigt op een stemloze medeklinker, dan krijgen alle personen in het enkelvoud +te en alle personen in het meervoud +ten.

In de ovt kan er in theorie nooit een probleem met ‘dt’ zijn, omdat ‘dt’ simpelweg niet kan voorkomen. Het probleem hier ligt elders: de ‘d’ en ‘t’ worden soms verdubbeld zonder dat je dat hoort.

Zij wachtten niet op mijn instemming.
Zonder mijn fiat doodden zij een draak.
Ik wendde me af van dit wrede schouwspel.

Dat is vooral verwarrend, omdat sommige werkwoorden die precies hetzelfde klinken, ook helemaal anders geschreven kunnen worden:

Zij wachten niet op mijn instemming.
Zij doden een draak.
Ik wende maar niet aan hun wreedheid.

De logica is hier dat de volledige uitgang achter de stam geplakt wordt, ook al hoor je niet elke klank van die uitgang. Maar die logica wordt in het Nederlands niet consequent toegepast. We zagen al hoe we

Zij ontpit de druiven en hij plant die pitjes nadien in de serre.

schrijven, en daarbij de uitgang +t negeerden, omdat we hem toch niet horen.

Laat ons die logica dan volledig doortrekken: als de stam al eindigt op een ‘d’ of een ‘t’, schrijven we die letter niet dubbel. Dat is helemaal niet zo raar als het lijkt, want ook in de ott gebeurt dat dus, en ook bij het vd (dit blijkt straks). Eigenlijk volgen de ott en het vd de regels, en springt de ovt uit de band. Maar dat zetten we bij deze dus recht.

Verder passen we natuurlijk de regels van open en gesloten lettergrepen toe. ‘Dd’ of ‘tt’ kan dus nog steeds voorkomen, maar alleen om een gesloten lettergreep gesloten te houden. In de ovt schrijven we dan:

Zij wachten niet op mijn stemming.
Zonder mijn fiat doden zij een draak.
Ik wende me af van dit wrede schouwspel.
Ik wende maar niet aan hun wreedheid.
Wij matten de tegenstander totaal af.
Zij bekladden de schoolmuur.

Critici kunnen opwerpen dat dit verwarring bij het lezen in de hand werkt, omdat het verschil tussen ovt en ott zo soms verloren gaat. Maar ten eerste zal dat verschil wel niet zo onoverkomelijk zijn wanneer dat in gesproken taal geen probleeem is. En ten tweede is dat verschil ook nu al onbestaande bij werkwoorden die in de infinitief al een dubbele ‘d’ of ’t hebben. Of de laatste twee zinnen uit het laatste voorbeeld ott of ovt zijn, valt ook in de huidige spelling niet uit te maken.

(Als we dat verschil écht duidelijk zouden willen maken, zouden we de dubbele medeklinker uit de infinitief moeten meenemen naar de stam. Dat zou pas vrolijke resultaten opleveren in de ovt: “Wij mattten de tegenstander totaal af”; “Zij bekladdden de schoolmuur”. Niemand is hier voorstander van, denk ik.)

c. Het voltooid deelwoord/adjectief

Het voltooid deelwoord zal met onze nieuwe spellingsregels misschien nog het vreemdst lijken, omdat die vorm ook als adjectief gebruikt kan worden. Adjectieven kunnen verbogen worden en dan moet er soms een ‘e’ achter geplaatst worden.

Op dit moment vormen we het voltooid deelwoord zo:

1. Neem de infinitief en haal de -en op het einde er af.
2. Zet ge- (of soms een ander prefix) voor de aldus bekomen stam.
3. Zet -d (ingeval van stemhebbende eindklank) of -t (ingeval van stemloze eindklank) achter de ge+stam.

Wil je daar een adjectief van maken:

4. Plak er, indien de verbuiging dat vraagt, -e achter.

Opnieuw wordt bij de bestaande regel de ‘d’ of ‘t’ weggelaten als de stam daar al op eindigt, en worden de regels van open en gesloten lettergrepen gerespecteerd. We schrijven niet:

Het gewondde dier is gewondd.
Het begrootte budget is begroott.

Hier vinden we dus een extra argument om dat soort grapjes ook niet uit te halen in de ovt. Het eigenlijke probleem in het vd vinden we opnieuw bij werkwoorden op ‘z’/’s’ en ‘v’/’f’. Maar dat is, dankzij de nieuwe schrijfwijze van de stam, intussen opgelost.

De gevervde boot is gevervd.
De gedode draak is gedood.
Het gepeste kind is gepest.
De verhuizde buurman is verhuizd.

Ziezo! Daarmee hebben we alle probleemgevallen opgeruimd. Graag gedaan, scholieren, leerkrachten, klerken, copywriters en eindredacteurs!

In deze nieuwe spelling worden werkwoorden opgedeeld in twee categorieën (los van zwak/sterk): de categorie waar de stam in de infinitief eindigt op een stemhebbende medeklinker, en de categorie waar de stam in de infinitief eindigt op een stemloze medeklinker. En dan zijn de regels ontstellend eenvoudig:

1. De medeklinker waarop de stam eindigt in de infinitief, wordt overgenomen in de spelling van de stam in alle vervoegingen.
2. a) Voor de stemhebbende categorie zijn de uitgangen in alle vervoegingen (waar dentale occlusieven aan te pas komen) met een stemhebbende ‘d’; b) voor de stemloze categorie zijn de uitgangen in alle vervoegingen (waar dentale occlusieven aan te pas komen) met een stemloze ‘t’.
3. De ‘d’ of ‘t’ wordt nooit verdubbeld door de uitgang, tenzij dat nodig is om een gesloten lettergreep gesloten te houden.

Het zal vooral een kwestie van wennen zijn aan een nieuw woordbeeld, zoals altijd bij een nieuwe spelling. En vanzelfsprekend moet ook de spelling van substantieven en adjectieven aan de nieuwe regel van stemhebbend/stemloos aangepast worden. Dat alleen voor werkwoorden doen, is onzinnig en inconsequent.

De voordelen van deze nieuwe spelling zijn verder overduidelijk: het systeem is eenvoudiger, helderder en consequenter. Er zal een pak minder fouten gemaakt worden, en is dat niet waar we allemaal van dromen? Vooruit, Nederlandse Taalunie, aan de slag!

6 reacties leave one →
  1. Knotwilg permalink
    12 december 2012 19:57

    Verschroeiend logisch. Met “verhuizd” zal je geen zieltjes winnen, hetzij bij mederederijkers.
    Gelijk hebben is geen probleem, mijn beste. Gelijk krijgen daarentegen.

  2. 12 december 2012 20:30

    Gelukkig is zieltjes winnen nooit mijn betrachting geweest. Beschouw deze uitleg als mijn geschenk aan de Nederlandstalige mensheid. Als die besluit uit conservatieve, politieke en/of emotionele overwegingen mijn briljante advies in de wind te slaan, moet zij dat zelf weten.

    Dan maar parels voor de zwijnen. En uiteindelijk ben ik niet degene die ontslagen zal worden omdat er drie dt-fouten in zijn tekst werden gevonden door de klant.

  3. Martino permalink
    12 december 2012 22:22

    Als iemand dit ooit ernstig neemt, vind de Standaard het vast schandalig. Maar het schrijvd best wel lekker.
    We moeten wel consequent zijn: ook het substantiev word dan huiz, druiv, etc. Dat heevd* als nadeel dat je het meervoud moet kennen om het enkelvoud te schrijven. En dat is niet altijd evident: ijs of ijz? Verf of verv? Loev of loef?

    *inferentie van de zachte b in hebben, maar ook dit is een moeilijk geval.

    Verder gevolg: de punten in Scrabble gaan zwaar geherkalibreerd moeten worden.

    Nog verder nagedacht: kunnen we ook niet meteen stammen op L een d geven in de ott (naar analogie met de ovt)? Hij lald – zij teld.

    En nu op naar het Groot Dictee.

  4. 13 december 2012 10:38

    In de voorlaatste paragraaf gav ik al aan dat inderdaad ook substantieven en adjectieven nieuwe regels moeten krijgen. En het is u misschien opgevallen dat ik in mijn samenvatting van de regels bij 2. a) ‘stemhebbende’ vermeld zonder daarbij ‘met stemloze variant’ schrijven. Dus alle stemhebbende klanken, ook stemhebbende medeklinkers en klinkers natuurlijk, krijgen die ‘d’: ‘hij lald’, ‘zij teld’, ‘jij aaid’, enzoverder.

    ‘Heeft/heevd’ is moeilijk geval, omdat het een onregelmatig werkwoord is, en die zijn altijd moeilijk. Maar ook met andere sterke werkwoorden zullen we nog wat zaken moeten uitklaren wanneer de Taalunie ons groen licht en de nodige werkingsmiddelen geevd.

    Als de krant De Standaard protesteerd, zal ik gedwongen te eisen dat zij haar hoofding in ‘De Standaart’ wijzigd.

  5. Martino permalink
    13 december 2012 15:39

    Ik ben weer mee en corrigeer bij deze mijn eerste zin naar “neemd”. Brengd, ligd, banjood, duwd. Anders gezegd, ’t kofschip word veralgemeend naar alles.
    Het benieuwd me wel, als het doorgaad, welke extreme voorbeelden De Standaard (of haar lezersbrievschrijvers) zal bedenken. Ik herinner mij het drama bij de vorige herziening: Pannenkoek! Ruggengraat! Hondenhok! En vandaag zou je schrikken als je het nog anders laz.
    Een laatste, niet te onderschatten voordeel: het goedkoopste excuuz* voor dt-fouten vald weg: “Ik leez zo vaak ‘wordt’ met dt dat ik het altijd zo schrijv, ook in de eerste persoon”. In de spelling-Plasky heeft elke uitspraak precies één spelling (per stam). Dus als het mis is (iz?), is het echt mis.

    *Neem ik aan, vergelijk “excuses” en “eisen”.

  6. Knotwilg permalink
    13 december 2012 19:15

    De erven Jef Nys zullen hun bron van inkomsten dan wel moeten herdopen naar “Kwak & Boemel”. Al de rest spreekt dan namelijk een raar taaltje en is bijgevolg verdacht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s