Dichters moeten dichten, of zwijgen

Wat kunnen dichters goed, behalve dichten dan? Helemaal niets, anders waren ze wel wat anders geworden. Toch houden de meesten er nog andere activiteiten op na. Sommigen zijn schrijnwerker of ambtenaar. Dat is in wezen onschuldig en wij hebben daar niets op tegen. Helaas, er zijn ook minder onschuldige gevallen.

Sommigen zijn schrijver van romans of theaterstukken. Dat is riskant, want hun literair talent moet dan diverser zijn dan dichtkunst. Maar écht riskant wordt het pas als een dichter meent columns te moeten schrijven.

De dichter leeft in het nonsensicale maar veilige universum van zijn eigen gedichten. Maar als columnist toetst hij de werkelijke wereld af aan zijn poëtenideeën en pent dan driftig neer wat volgens hem misloopt. Zelden loopt zulks goed af. En zeker niet bij Benno Barnard.

Barnard blijft ons ijverig verslag uitbrengen van zijn melodramatische verhouding met de Nederlandse Taalunie en dat verheugt ons, want het is zeer vermakelijk. Deze week meldt hij ons, in een stukje dat straalt van aandoenlijke trots, dat hij heeft mogen spreken voor de interparlementaire commissie van de Taalunie. Waar men luisterde, en applaudisseerde!

Van al die parlementairen echter, heeft er niemand een taalkundige opleiding genoten. Zelfs geen letterkundige. Verder dan een graduaat moderne talen, wat toneelopleidingen en een onderwijzer komen we niet in de commissie. Voor dat publiek orakelt Barnard:

Ten vierde pleit ik voor het zo populair mogelijk helpen maken van het Nederlands onder jongeren (…) Dat populariseren zou onder andere moeten gebeuren door het versterken van het Nederlands als onderwijstaal.

Natuurlijk. Jongeren gaan, rebels als ze zijn, Nederlands hipper vinden als dat een sterkere onderwijstaal wordt. Wat je op school moet leren, dat vindt elke puber meteen erg cool. Ja, Barnard weet wel hoe het werkt met trends en de jeugd. Daarom schrijft hij ook poëzie, een onder adolescenten erg populair genre.

Overigens geeft Barnard niet aan wat er nog meer zou moeten gebeuren om Nederlands te populariseren. En zo hangt heel zijn betoog met haken en ogen aan mekaar. Hoe komt dat? Omdat Barnard zich blijkbaar ergert aan vier zaken en rond die vier ergernissen een wollig betoog heeft gesponnen dat hij plechtig heeft uitgesproken in Den Haag, zonder een echt idee over taalgebruik en taalevolutie te hebben ontwikkeld, laat staan een idee hoe het beleid daarop zou moeten inspelen.

Barnard heeft geen visie, hij heeft een paar losse ideeën en wat publicatieruimte, en dus invloed. Vervelend is dat. Gelukkig weten de dames en heren van de interparlementaire commissie dan wel niets van taalwetenschap, maar wel van politiek. Wat doe je met een bazelende criticus? Aanhoren, lijmen, en inkapselen.

Geef die man toch een interne functie, moet iemand verveeld geopperd hebben, en dat gebeurde dan ook. Barnard is dus niet zo stom als hij besluit met:

(…) intussen heeft de Taalunie me uitgenodigd om van externe opperkont te promoveren tot interne raadgever. Nu moet ik dus oppassen dat ik geen lakei word… dat ik waar nodig blijf tegenspreken.

Vooral doen, Benno. Maar hou het binnenskamers, dat is wel zo netjes. En misschien kan je door je nieuwe inkomsten, want ik hoop toch dat je die krijgt, wat columns opgeven. Heb je meer tijd voor je gedichten. Meer poëzie en minder columns, Benno, het zou je goed doen. En ons ook.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s